In het begin van de 19de eeuw maakt de populariteit van de gitaar een grote opleving door in Europa, met name in de culturele centra zoals Parijs, Londen en Wenen. In alle lagen van de bevolking maakte de gitaar een snelle opgang. Het was de periode van de grote klassieke componisten, zoals Beethoven, Mozart en Haydn, en van de Romantiek. In de muzikale kringen rond de componist Franz Schubert werd het instrument bespeeld. De vioolvirtuoos Nicolo Paganini was ook een uitstekend gitarist en componeerde voor de gitaar.
Virtuosen zoals Fernando Sor, Dionisio Aguado en Napoléon Coste maakten furore en genoten grote populariteit. Veel composities en études uit deze periode zijn min of meer verplichte kost voor de student klassieke gitaar. Een van de betere en meer interessante gitaristen uit die tijd is naar mijn smaak geweest de in Pressburg, Slowakije geboren Johann Kaspar Mertz, (1806 – 1856). Hij was een van de laatste grote coryfeeën van die tijd, toen de populariteit van de gitaar alweer sterk afnam en zij bijna in de vergetelheid raakte.
Mertz was vanaf 1840 actief in Wenen, en had als gitaarvirtuoos een gedegen reputatie. Hij maakte, samen met zijn vrouw, de concertpianiste Josephine Plantin, toernees door Moravië, Polen en Rusland en trad op in Berlijn en Dresden. In 1846 stierf Mertz bijna vanwege een overdosis strychnine, die hij voorgeschreven kreeg voor zijn aangezichtspijnen. Kort voor zijn dood in 1856 nam hij deel aan een compositiewedstrijd, uitgeschreven door de Russische gitaarviruoos Nicolai Makaroff (1810 – 1890). Mertz won de eerste prijs, Napoléon Coste werd tweede. Vanwege het plotselinge overlijden van Mertz ging de eerste prijs alsnog naar Coste.
In tegenstelling tot Fernando Sor en Dionisio Aguado, die de klassieke stijl van Mozart en Haydn navolgden, was de gitaarmuziek van Mertz meer geïnspireerd op de pianistische voorbeelden van Chopin, Mendelssohn, Schumann en Schubert.
Het belangrijkste werk van Mertz - en ook een belangrijke bijdrage aan het repertoire – is de Bardenklänge uit 1847, geheel in de stijl van Schumann.

Johann Kaspar Mertz
Virtuosen zoals Fernando Sor, Dionisio Aguado en Napoléon Coste maakten furore en genoten grote populariteit. Veel composities en études uit deze periode zijn min of meer verplichte kost voor de student klassieke gitaar. Een van de betere en meer interessante gitaristen uit die tijd is naar mijn smaak geweest de in Pressburg, Slowakije geboren Johann Kaspar Mertz, (1806 – 1856). Hij was een van de laatste grote coryfeeën van die tijd, toen de populariteit van de gitaar alweer sterk afnam en zij bijna in de vergetelheid raakte.
Mertz was vanaf 1840 actief in Wenen, en had als gitaarvirtuoos een gedegen reputatie. Hij maakte, samen met zijn vrouw, de concertpianiste Josephine Plantin, toernees door Moravië, Polen en Rusland en trad op in Berlijn en Dresden. In 1846 stierf Mertz bijna vanwege een overdosis strychnine, die hij voorgeschreven kreeg voor zijn aangezichtspijnen. Kort voor zijn dood in 1856 nam hij deel aan een compositiewedstrijd, uitgeschreven door de Russische gitaarviruoos Nicolai Makaroff (1810 – 1890). Mertz won de eerste prijs, Napoléon Coste werd tweede. Vanwege het plotselinge overlijden van Mertz ging de eerste prijs alsnog naar Coste.
In tegenstelling tot Fernando Sor en Dionisio Aguado, die de klassieke stijl van Mozart en Haydn navolgden, was de gitaarmuziek van Mertz meer geïnspireerd op de pianistische voorbeelden van Chopin, Mendelssohn, Schumann en Schubert.
Het belangrijkste werk van Mertz - en ook een belangrijke bijdrage aan het repertoire – is de Bardenklänge uit 1847, geheel in de stijl van Schumann.

Johann Kaspar Mertz

